l

Direct contact

Telefoonnummers

St Jansdal Harderwijk

0341 - 463911

St Jansdal Lelystad

0341 - 463590

Poli-Apotheek St Jansdal

0341 - 435858

Helpdesk MijnStjansdal (8.30 - 12 u)

0341 - 463700

Medische hulp buiten kantoortijden

Bij levensbedreigende spoed

112

Harderwijk: Medicamus Spoedpost  

0900 - 341 0 341

Website: Medicamus Spoedpost

 

Lelystad: huisartsenpost Medrie  

0900 - 333 6 333

Website: Huisartenpost Lelystad

 

 

 

Voorbereiden_Op-Opname

Miltverwijdering (splenectomie)

Inhoud van dit artikel
    Inhoud van dit artikel

      Dit boekje geeft u informatie over het verwijderen van de milt (splenectomie). Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven.

      Ligging en functie van de milt

      De milt is een in de linker bovenbuik gelegen orgaan. Bij de gezonde volwassene weegt het tussen de 75 en 100 gram. De milt is het sterkst doorbloede orgaan in het lichaam en heel kwetsbaar. De onderste ribben bieden de milt bescherming. De milt is betrokken bij bloedaanmaak en bloedafbraak. Tevens werkt de milt als een soort filter in het afweersysteem.

       

      Redenen om de milt te verwijderen

      Er zijn verschillende omstandigheden aan te wijzen waarbij het nodig is om de milt te verwijderen:
       

      Algemene ziekten van het bloed

      Wanneer door afwijkende vorm of kenmerken van de rode bloedcellen een verhoogde bloedafbraak plaats vindt, ontstaat bloedarmoede (anemie).

      Ook kan verhoogde afbraak van bloedplaatjes optreden. Bloedplaatjes spelen een rol bij de stolling van het bloed. Te weinig bloedplaatjes (trombocytopenie) kunnen het beeld geven van vele puntbloedingen (purpura). De oorzaak is vaak niet bekend (idiopathisch). Dit ziektebeeld wordt dan ook ITP (idiopathische trombocytopenie) genoemd.
       

      Algemene ziekten van het lymfesysteem
      Verwijderen van de milt kan nodig zijn om het stadium van de ziekte te beoordelen of ter bepaling van het soort medicijn dat gebruikt moet worden voor de behandeling.
       

      Ongevallen
      Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen penetrerende (scherpe) letsels zoals messteek, schotwond, gebroken ribben en stompe letsels zoals verkeersletsels, vallen op de zij, op het fietsstuur etc. Meestal zal verwijderen van de milt nodig zijn bij een scheur, maar soms is het mogelijk om de bloeding tot staan te brengen, bijvoorbeeld door de milt in te pakken in een netje van oplosbaar materiaal.
       

      Verhoogde functie van de milt met versnelde bloedafbraak tot gevolg (hypersplenisme)
      De oorzaak hiervoor kan onbekend zijn (primair) of het gevolg zijn van andere aandoeningen, bijvoorbeeld van de lever of enkele zeldzame ziekten.
       

      Bijmilt
      De milt is in principe een solitair orgaan, maar in 15 tot 30 % van de mensen kan sprake zijn van een of meerdere bijmiltjes. Deze komen vooral voor bij mensen met bloedziekten en juist bij hen is het bij een splenectomie nodig om al het miltweefsel te verwijderen, dus ook de bijmiltjes. Als de splenectomie plaats vindt in het kader van een ongeval, dan is het juist prettig om de bijmiltjes en dus de miltfunctie, te kunnen behouden.
       

      Cysten en tumoren
      Deze zijn beide vrij zeldzaam.

      Soms kan tijdens een andere buikoperatie een beschadiging aan de milt ontstaan, welke net als bij een ongeval niet te behandelen is en ook verwijdering van de milt noodzakelijk maakt. Het kan ook zijn dat de milt met een tumor mee verwijderd moet worden vanwege ingroei van de tumor of verkleving.

       

      Diagnose en onderzoeken

      Onderzoek zal meestal zijn uitgevoerd door de internist. Alleen als er sprake is van een ongeval zal de chirurg het onderzoek verrichten. Hierbij is naast bloedonderzoek plaats voor echografie. Dit is een veilig en pijnloos onderzoek, waarbij gebruik gemaakt wordt van hoogfrequente geluidsgolven. Verder kan gebruik gemaakt worden van een CT-scan. Dit is een röntgenonderzoek, waarbij diverse dwarsdoorsnedes van het lichaam kunnen worden gemaakt.
       

      Bloedverdunners

      Het gebruik van bloedverdunnende medicijnen moet vaak één dag of een aantal dagen voor de ingreep gestaakt worden. Dit moet echter altijd gebeuren in overleg met een arts. Meldt daarom het gebruik van bloedverdunners altijd aan degene die de operatie uitvoert. Indien u op aanraden van uw arts moet stoppen met de bloedverdunners en u bent onder behandeling bij een trombosedienst, dient u contact op te nemen met de trombosedienst binnen uw regio.
       

      De splenectomie

      Er zijn twee methoden om de milt te verwijderen:

      • de laparoscopische splenectomie
      • en de conventionele (gewone) splenectomie

      Uw behandelend arts zal met u bespreken wat in uw geval het beste is. Een splenectomie duurt meestal zo’n anderhalf uur. De anesthesist geeft u informatie over de anesthesie.
       

      De laparoscopische splenectomie
      Tijdens de voorbereiding voor deze operatie wordt soms een blaaskatheter ingebracht. Dit gebeurt wanneer u al onder narcose bent en meestal direct na de operatie wordt deze weer verwijderd. Bij de operatie maakt de arts gebruik van een videocamera en speciale instrumenten om de milt te verwijderen zonder een grote snee in de buik te maken. In plaats daarvan maakt de chirurg enkele kleine sneetjes. Een laparoscoop is een lange rechte buis waarop een kleine videocamera en een lichtbron is gemonteerd. Voordat de laparoscoop in de buikholte wordt gebracht, wordt de buikholte opgevuld met kooldioxyde. Dit is een onschuldig gas dat aan het eind van de ingreep weer uit de buik verdwijnt en is nodig om een goed overzicht te verkrijgen. Dit gas kan het middenrif enigszins prikkelen. Via een zenuwbaan die in de richting van de schouder loopt, kan dit ertoe leiden dat u na de operatie gedurende enkele dagen een gevoelige schouder heeft. Dit verdwijnt vanzelf en u hoeft zich daarover geen zorgen te maken. Via een snede van circa twee centimeter bij de navel, wordt de laparoscoop in de buikholte gebracht. Met de laparoscoop kan de arts in de buik kijken via een videomonitor. Nu worden de andere sneden in de buikwand gemaakt. Ieder van deze sneden wordt gebruikt om een speciaal instrument in de buikholte te brengen, om de milt te pakken, te bewegen en te verwijderen. Na het verwijderen van de milt wordt soms een wonddrain achtergelaten.

       

      Het kan voorkomen dat de arts tijdens de operatie vaststelt dat het niet mogelijk is de milt laparoscopisch (veilig) te verwijderen. In dat geval is het nodig om de milt op de conventionele manier te verwijderen. Omdat de arts de milt niet kan zien voordat de laparoscoop is ingebracht, zijn sommige situaties niet te voorspellen en kunnen alleen maar worden ontdekt als de operatie al is begonnen. Daarom moet u altijd rekening houden met de kans dat er een conventionele (gewone) splenectomie moet worden uitgevoerd, terwijl er een laparoscopische operatie was afgesproken.
       

      De conventionele (gewone) splenectomie

      Bij deze operatie maakt de arts een snede van tien tot vijftien centimeter lang, midden in de bovenbuik of aan de linkerkant onder de ribbenboog, om langs die weg de milt te kunnen verwijderen.
       

      Mogelijke complicaties

      Geen enkele operatie is zonder risico’s. Zo is ook bij deze operatie de normale kans op complicaties aanwezig die bij een operatie altijd bestaan, zoals nabloeding, wondinfectie, trombose of longontsteking.

       

      Een specifieke complicatie bij deze operatie is een te hoog aantal bloedplaatjes na de operatie doordat deze te weinig worden afgebroken. Als het aantal zo hoog wordt dat er gevaar is voor trombose wordt er een bloedverdunner gegeven (ascal). Dit gebeurt gelukkig zeer zelden en is meestal tijdelijk.
       

      Het kan zijn dat u na de laparoscopische operatie een branderig gevoel heeft bij het plassen. Dat komt door de blaaskatheter, die soms aan het begin van de operatie wordt ingebracht. Dit verdwijnt vanzelf.
       

      Na de operatie

      De operatie heeft soms tot gevolg dat u direct erna wat misselijk en dorstig bent. Tegen de misselijkheid kunt u medicijnen krijgen. Om ervoor te zorgen dat u voldoende vocht krijgt, heeft u een infuus in de arm. Zodra u weer zelf voldoende kunt drinken, kan het infuus verwijderd worden. Het slangetje dat soms in het wondgebied is achtergelaten (wonddrain) is nodig om bloed en vocht af te voeren. Zodra er geen vocht meer uit de drain komt, kan deze worden verwijderd. Meestal is dat na één tot drie dagen het geval. De eerste dagen na de operatie is de wond nog gevoelig. Ook hiertegen kunt u medicijnen krijgen.
       

      Ontslag uit het ziekenhuis

      Na een laparoscopische splenectomie kunt u over het algemeen binnen een paar dagen weer naar huis. Bij een conventionele splenectomie kan de opnameduur wat langer zijn.

      Bij ontslag krijgt u een afspraak mee voor de poliklinische controle bij de chirurg en/of de internist. Zo nodig wordt de pneumococcenvaccinatie gegeven. De hechtingen kunnen na tien tot twaalf dagen worden verwijderd.
       

      Adviezen voor thuis

      De wond heeft geen speciale verzorging nodig. U kunt uzelf gewoon wassen of douchen.

      Wanneer de wond genezen is, mag u alle normale activiteiten weer hervatten. Na een laparoscopische splenectomie kunt u meestal weer snel aan het werk. Na een conventionele operatie kan het herstel wat langer nodig hebben. Dat is mede afhankelijk van het soort werk. Verder is er een verhoogde infectiekans voor sommige bacteriën. Hiervoor wordt bij voorkeur tenminste drie weken voor een geplande of circa twee weken na een acute ingreep en pneumococcenvaccinatie gegeven. Deze vaccinatie moet na twee tot drie maanden herhaald worden en elke vijf jaar. Daarnaast wordt aangeraden eenmalig Meningokokken C en Hemophilus B vaccintatie te geven, tenzij u daarvoor al eerder bent gevaccineerd.

      Tenslotte wordt geadviseerd om jaarlijks de griepprik te halen.

       

      De vaccinaties kunt u bij uw huisarts krijgen.

       

      Vanwege het verhoogde risico op infecties, welke ook nog ernstig kunnen verlopen, moet u altijd uw behandelende artsen informeren dat bij u de milt verwijderd is.

       

      Bij koorts thuis wordt geadviseerd meteen antibiotica te starten en hierna zo snel mogelijk contact met de (huis)arts op te nemen. Hiervoor dient U altijd antibiotica thuis te hebben liggen (Amoxycilline/clavulaanzuur 625 mg drie keer daags, minimaal drie dagen innemen, bij penicillineallergie claritromycine 600 mg).
       

      Vragen

      Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.

       

      Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de behandeling plaats gaat vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.

      • De eerste vijf dagen na het bezoek kunt u contact met ons opnemen via het algemene nummer van het ziekenhuis: 0341-463911. De receptioniste zal u doorverbinden met de afdeling waar u uw vraag kunt stellen.
      • Is het langer dan vijf dagen geleden? Neem dan contact op met uw eigen huisarts of buiten kantoortijden met de Huisartsenpost via 0900 – 341 0 341

       

       

      Tot slot

      Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

      De informatie op deze website is met de grootst mogelijke zorg samengesteld. Desondanks kunnen geen rechten aan de vermelde informatie ontleend worden. Meer informatie https://www.stjansdal.nl/disclaimer