Inleiding
Deze informatie is bestemd voor diabetespatiënten die een onderzoek ondergaan in ziekenhuis St Jansdal.
U heeft binnenkort een afspraak voor een onderzoek.
Voor dit onderzoek moet u nuchter zijn. Dit betekent dat u een tijd vóór het onderzoek niet mag eten en/of drinken. Tijdens de dag(en) van voorbereiding kan uw bloedsuiker te hoog of te laag worden. Dit willen we graag voorkomen. Daarom geven we u advies. Lees de regels hieronder goed. Ze zijn belangrijk naast de andere dingen die u moet doen voor het onderzoek.
De voorbereiding kan per onderzoek verschillen. Meer informatie vindt u in de folder van het betreffende onderzoek.
Algemeen advies
- Heeft u diabetes type 1? Stop NOOIT helemaal met de insuline
- Heeft u een insulinepomp neem dan contact op met uw eigen diabetesteam. Bij voorkeur minimaal 1 week vóórhet onderzoek.
- Gebruikt u insuline, neem druivensuikertabletten mee!
- Neem extra materiaal betreffende pomp en sensor mee.
- Neem (indien van toepassing) uw eigen insulinepennen en glucosemeter mee.
-
Gebruik van glucosesensoren:
-
meld het gebruik van een glucosesensor bij de afdeling.
-
Sensorgebruik mag tijdens opname en onderzoek doorgaan (uitzondering: bij MRI verwijderen).
-
Vingerprikwaarden blijven leidend vanwege mogelijke meetvertragingen of afwijkingen (bijvoorbeeld bij vocht vasthouden).
-
Heeft u nog vragen, neem dan contact op met uw diabetesbehandelaar (bij voorkeur minimaal 1 week vóór het onderzoek.
-
Röntgenonderzoek en metformine
Gebruikt u metformine en krijgt u een röntgenonderzoek waarbij u een jodiumhoudend contrastmiddel in een bloedvat toegediend krijgt? Dan moet u tijdelijk stoppen met het gebruik van metformine. Afhankelijk van uw nierfunctie geldt dit voor enkele dagen. Het is mogelijk dat u extra bloed moet laten prikken na het onderzoek om te bepalen wanneer u de metformine weer kunt hervatten. Mocht de waarde onder een bepaalde norm zijn, dan wordt er na overleg metformine gestaakt.
Röntgenonderzoek en glucosesensor/insulinepomp
Tijdens de MRI moet de sensor verwijderd worden en de insulinepomp afgekoppeld. Bij een CT-scan hoeft de sensor niet verwijderd te worden. De insulinepomp moet wel afgekoppeld worden. Breng zonodig na het onderzoek een nieuwe sensor aan en hervat de insulinetherapie. Het is verstandig om u glucose extra te controleren met een vingerprik voor eventuele afwijkingen bij de sensor. U kunt met de leverancier overleggen of u in aanmerking komt voor een extra sensor in verband met het onderzoek.
Meld bij de medewerker van de afdeling dat u een sensor/insulinepomp heeft en overleg bij twijfel. Neem uw reader/telefoon mee.
Wat kunt u doen als u verschijnselen van een hypo krijgt?
Krijgt u verschijnselen van een hypo (lage bloedsuiker), zoals honger, beven, zweten, een trillerig gevoel, bleekheid, wazig zien, hoofdpijn en duizeligheid en een bloedsuiker lager dan 4.0 mmol/l? Neemt u dan 5-7 tabletten druivensuiker. U kunt ook één glas limonade drinken, gemaakt van 35 ml ranja (ongeveer 3 eetlepels) aangelengd met water.
Algemeen advies voor controle bloedglucose (voor de mensen met insuline behandeling)
Belangrijk is de controle van uw bloedglucose. In de tabellen hieronder ziet u wat u moet doen als uw bloedglucose te hoog of te laag is. Kijk in desbetreffende folder of u vast of vloeibaar voedsel mag. Voor extra informatie over de koolhydraten: https://www.stjansdal.nl/folders/koolhydratenlijst
Bloedglucosecontrole de dag vóór het onderzoek
| Waarde bij controle voor de nacht | Actie |
| Lager dan 4 mmol/l |
|
| Tussen 4 en 7 mmol/l |
15 gram koolhydraten = 1 portie fruit/sap of 1 snee brood met hartig beleg of schaaltje suikervrije vla |
| Hoger dan 7 mmol/l | Ga rustig slapen |
| Hoger dan 15 mmol/l |
Bijspuiten volgens uw eigen bijspuitschema. Indien u corrigeert, controleer na 2 uur uw glucosewaarde |
Bloedglucosecontrole gedurende de dag ván het onderzoek
| Tijdstip | Bloedglucosewaarde | Actie |
|
Dagcurve prikken:
|
Lager dan 4 mmol/l (hypo)
|
5 tot 7 tabletten druivensuiker of 35 ml ( =3 eetlepels) ranja aangemengd met water (ranja passeert de maag snel en is geen belemmering voor het onderzoek)
|
|
|
Tussen 4 en 10 mmol/l |
Goed |
|
|
Tussen 10 en 15 mmol/l |
Accepteren Uitzondering : Diabetes type 1, eigen bijspuitschema hanteren of wat is afgesproken met diabetesteam |
|
|
Hoger dan 15 mmol/l |
Indien mogelijk zelf bijregelen |
1. Bloedglucoseverlagende tabletten en/ of GLP1-analoog
Dag vóór het onderzoek: u kunt uw tabletten/injectie op de gebruikelijke tijd innemen/injecteren.
- Gebruikt u insuline, kijk dan ook bij hoofdstuk 2
Tabel 1.1: Dag ván het onderzoek
| Onderzoek vindt plaats vóór13.00 uur | Dosering |
|
Vóór het onderzoek: u bent nuchter vanaf 22.00 uur (dag ervoor) |
Bij het ontbijt: geen tabletten innemen |
| Na het onderzoek: |
Bij 1 keer daags gebruik van tabletten:
Als u de tabletten vaker per dag gebruikt:
|
Tabel 1.2:
| Onderzoek vindt plaats ná 13.00 uur | Dosering |
|
Voor het onderzoek: U mag tot 07.30 uur nog een licht ontbijt gebruiken. |
Bij het ontbijt: geen tabletten innemen. |
| Na het onderzoek: |
Bij het avondeten: gebruikelijke dosering hervatten (niet inhalen). |
Tabel 1.3: Overzicht orale bloedglucoseverlagende medicijnen (tabletten)
| Soort preparaat | Generieke naam / Merknaam |
| a Glucosidasremmer |
|
| Biguanide |
|
| Sulfonylureumderivaten |
|
| Meglitiniden |
|
| Thiazolidinedionen |
|
| SGLT2- remmers |
|
| DPP-4 remmers |
|
| GLP-1 |
|
Tabel 1.4. Gebruikt u één van onderstaande GLP-1 injecties? Dan gebruikt u uw medicijnen zoals u gewend bent.
|
Dulaglutide (Trulicity) Exenatide (Byetta, Bydureon) Liraglutide (Victoza, Saxenda) Lixisenatide (Lyxumia) Semaglutide (Ozempic) Tirzapetide (Mounjaro) |
2. Insuline éénmaal daags langwerkend insuline of een combinatie van 1dd insuline en GLP1-analoog
Dag vóór het onderzoek:
Indien u gewend bent om de langwerkende insuline:
- ‘s ochtends te injecteren, dan kunt u de gebruikelijke hoeveelheid injecteren.
- ’s avonds te injecteren, dan dient u 75 % (¾) van de gebruikelijke hoeveelheid te injecteren.
Tabel 2.1: Dag ván het onderzoek
| Onderzoek vindt plaats vóór 13.00 uur | Dosering |
|
Vóór het onderzoek: U bent nuchter vanaf 22.00 uur (dag ervoor) |
|
| Na het onderzoek: |
|
Tabel 2.2.
| Onderzoek vindt plaats ná 13.00 uur | Dosering |
|
Vóór het onderzoek: U mag tot 07.30 uur nog een licht ontbijt gebruiken. |
Bij het ontbijt:
|
| Na het onderzoek: |
Als u de insuline normaal in de avond injecteert hervat u de gebruikelijke dosering op het gebruikelijke tijdstip. |
Tabel 2.3. Overzicht langwerkende insuline, tijdstip van injecteren: 1 keer per dag (of ontbijt of avondeten of voor slapen).
| Soort insuline | Generieke naam/ merknaam |
| Middellang |
|
| Langwerkend |
|
| Ultra-Langwerkend |
|
| Combinatie insuline en GLP-1ra |
|
3. Insuline tweemaal daags: mix-insuline
Dag vóór het onderzoek:
- Bij het ontbijt de gebruikelijke insulinedosering.
- Bij het avondeten kunt u 75% (¾) van uw gebruikelijke dosis injecteren.
Dag ván het onderzoek:
Tabel 3.1
| Onderzoek vindt plaats vóór 13.00 uur | Dosering |
|
Vóór het onderzoek: u bent nuchter vanaf 22.00 uur (dag ervoor) |
|
| Na het onderzoek: |
|
Tabel 3.2:
| Onderzoek vindt plaats ná13.00 uur | Dosering |
|
Voor het onderzoek: u mag tot 07.30 uur nog een licht ontbijt gebruiken. |
Bij het ontbijt: 50 % (1/2) van de gebruikelijke ochtenddosering |
| Na het onderzoek: | Bij het avondeten: gebruikelijke dosering. |
Tabel 3.3 Overzicht van mix insulines, tijdstip van injecteren: 2 keer per dag (ontbijt en avondeten)
| Soort insuline | Generieke naam / merknaam |
| Mix insulines |
|
4. Insuline viermaal daags: kortwerkend insuline icm éénmaal daags langwerkende insuline
Dag vóór het onderzoek:
Indien u gewend bent om de:
- langwerkende insuline ‘s ochtends te injecteren, dan kunt u de gebruikelijke hoeveelheid injecteren.
- langwerkende insuline ’s avonds te injecteren, dan dient u 75% (3/4) van de gebruikelijke hoeveelheid te injecteren.
Dag ván het onderzoek:
Tabel 4.1
| Onderzoek vindt plaats vóór13.00 uur | Dosering |
|
Voor het onderzoek: u bent nuchter vanaf 22.00 uur (dag ervoor) |
Bij langwerkende insuline in de ochtend:
Geen ontbijt = Geen kortwerkende insuline. |
| Na het onderzoek: |
Langwerkende insuline in de avond:
Kortwerkende insuline: gebruikelijke dosering hervatten bij de maaltijden. |
Tabel 4.2:
| Onderzoek vindt plaats ná13.00 uur | Dosering |
|
Voor het onderzoek: U mag tot 07.30 uur nog een licht ontbijt gebruiken. |
Bij langwerkende insuline in de ochtend:
Kortwerkende insuline:
|
| Na het onderzoek: |
Langwerkende insuline in de avond:
Kortwerkende insuline:
|
Tabel 4.3. Overzicht van kortwerkende (voor iedere maaltijd en zonodig voor correctie) en langwerkende insuline (1 keer daags)
| Kortwerkende insuline | Generieke naam / merknaam |
| Zeer ultra-kortwerkend |
|
| Ultra-kortwerkend |
|
| Kortwerkend |
|
| Langwerkende insuline | Generieke naam/ merknaam |
| Middellang |
|
| Langwerkend |
|
| Ultra-Langwerkend |
|
5. Subcutane Insulinepomp (CSII)
Neem altijd contact op met uw eigen diabetesverpleegkundige of behandelend arts voor een individueel advies. Bij voorkeur minimaal 1 week vóórhet onderzoek.
Algemeen:
-
Basaalstand: U hoeft de basaalstand meestal niet aan te passen, indien mogelijk kunt u wel de streefwaarde aanpassen (bij hybride closed loop insulinepomp).
-
Bolus: Geef de bolus zoals u gewend bent, afhankelijk van uw bloedglucose en de hoeveelheid koolhydraten die u eet.
-
Intensief laxeren: Als u veel moet laxeren, kan het nodig zijn om de basaalstand tijdelijk te verlagen.
-
Lage bloedglucose: Als uw bloedglucose onder de 6 ligt, raden we aan om de pomp op 50% van de basaalstand te zetten (als dit mogelijk is). U kunt ook de streefwaarde verhogen bij een hybride closed-loop insulinepomp.
-
Geen maaltijd: Als u niet eet, hoeft er geen maaltijdbolus gegeven te worden.
-
Verhoogde bloedglucose: Bij een te hoge bloedglucose gebruikt u de correctiebolus en kunt u eventueel de tijdelijke basaalstand verhogen of streefwaarde aanpassen.
Een algemeen advies voor bijspuitschema bij nuchter beleid (indien u kortwerkende insuline heeft)
- Bloedglucose hoger dan 15 mmol/l, 2 eenheden (ultra) kortwerkende insuline
- Bloedglucose hoger dan 20 mmol/l, 4 eenheden (ultra) kortwerkende insuline
Controleer de bloedglucose na twee uur en corrigeer evt na twee uur.
Bereikbaarheid
- St Jansdal ziekenhuis: 0341-463911
- Diabetescentrum (poli Interne Geneeskunde) 0341-463747 (08.30-12.00 uur en 13.30-16.30 uur)
De diabetesverpleegkundigen van het St Jansdal zijn te bereiken via de assistente. Als u contact opneemt, geef dan de gebruikte medicatie en (insuline) doseringen door. De assistente maakt voor u een telefonische afspraak met de diabetesverpleegkundige.
- Functieafdeling (planning Endoscopie 0341-463538)
-
Afdeling radiologie: 0341-463650