l

Direct contact

Telefoonnummers

St Jansdal receptie (alle locaties)

0341 - 463911

Afsprakenbureau 

0341 - 463890

Poli-Apotheek St Jansdal

0341 - 435858

Helpdesk MijnStjansdal (8.30 - 12 u)

0341 - 463700

Medische hulp buiten kantoortijden

Bij levensbedreigende spoed

112

Harderwijk: Medicamus Spoedpost  

0900 - 341 0 341

Website: Medicamus Spoedpost

 

Lelystad: huisartsenpost Medrie  

0900 - 333 6 333

Website: Huisartenpost Lelystad

 

 

 

“Zoveel ernstig zieke mensen, dat valt rauw op je dak”

Urologen Martijn Smeenge en Jos Falke over hun ervaring op de cohort

 

 

 Jos Falke en Martijn Smeenge ruilden tijdelijk hun werk   als uroloog in voor die van zaalarts op de   cohortafdeling. Ze vertellen over hun ervaring en de   impact van het werken op die afdeling. “Als dokter zie   je vaak zieke mensen, maar zoveel ernstig zieke   mensen bij elkaar waarvan sommigen moeten vechten   voor hun leven, dat is ongewoon.”

 

Voor Martijn en Jos is dit hun eerste baan als medisch specialist; Martijn werkte net drie maanden in het St Jansdal en Jos een jaar toen hier het coronavirus uitbrak. Martijn: “Vanaf toen werden mensen ontmoedigd om naar het ziekenhuis te komen. Bij veel van onze patiënten werd het polibezoek omgezet naar een belafspraak. Ik wilde graag een actievere rol kunnen leveren in de coronazorg, als dokter heb je een intrinsieke drive om mensen te helpen. Toen de oproep kwam om mee te helpen op de cohort, hoefde ik daar niet over na te denken.”

 

Onbekend terrein
Jos: “Het was eind maart toen we begonnen, de corona-afdelingen lagen vol met patiënten. Achteraf bleek dat het aantal besmettingen toen een piek had bereikt. Daarna nam het aantal langzaam af. Het voelde gek, onwennig, je doet echt wat anders dan wat je normaal doet. Dat was voor iedereen zo, ook voor de longartsen en de internisten. Het was fijn dat we konden ondersteunen en zo de internisten en longartsen enigszins konden ontzien. Voor vragen en voor het doorspreken van de patiënten waren zij ook altijd beschikbaar voor ons.”

“Omdat het een onbekend ziektebeeld is, ben je heel erg zoekende en je weet ook niet precies waar je naar moet kijken. Dat hadden we allemaal”, vertelt Martijn. “Je krijgt bloedwaardes binnen die je niet direct kunt plaatsen en die anders zijn dan bijvoorbeeld bij een bacteriële longontsteking. Het is anders dan bij urologie waarbij je bepaalde bloedwaardes kunt linken aan bijvoorbeeld een infectie aan de urinewegen. Onze belangrijkste taak was het beoordelen van de patiënt met een klinische blik en signaleren wanneer iemands ziektebeeld verergerde.”

 

Saamhorigheid

De samenwerking met een team van specialisten maakte de ervaring op de cohort volgens Jos heel bijzonder. “Medisch inhoudelijk hadden we veel contact met collega’s. Zo zat je bijvoorbeeld aan tafel met een kinderarts, een geriater en een orthopeed. Dat maak je niet snel mee. Allemaal hadden we één gemeenschappelijk doel. Naast de heftigheid die we meemaakten, was er ook tijd voor een praatje. Er heerste een gevoel van saamhorigheid; je werkt intensief met elkaar samen en bent onderdeel van een groter geheel.” Een unieke situatie noemt Martijn het: “Je bent niet gewend om met zoveel verschillende specialisten in een overleg te zitten. Mooie hieraan is dat je de kennis van elke specialist op zijn vakgebied kunt combineren en zo complete zorg kunt leveren.”

 

Rauw op je dak
De periode op de cohort heeft een grote indruk gemaakt op beide collega’s. “Als dokter ben je gewend om zieke mensen te zien, maar niet zoveel ernstig zieke mensen op één afdeling die soms vechten voor hun leven”, vertelt Jos. “Daar word je al mee geconfronteerd op dag één en dat valt rauw op je dak. Je behandelt mensen die misschien wel komen te overlijden. Je weet dat dit kan gebeuren, maar omdat COVID-19 een onvoorspelbaar ziektebeeld heeft, kun je dat niet goed inschatten. Ook ging het om mensen die zieker zijn dan de gemiddelde patiënt op de urologie-afdeling. En daar moet je aan wennen.”

 

Martijn: “Ik vond het vooral moeilijk voor de mensen dat ze helemaal alleen waren. Ze lagen geïsoleerd, soms alleen op een kamertje en mochten weinig of geen bezoek ontvangen. Ik herinner me nog dat een patiënt naar de intensive care werd gebracht en daar vocht voor zijn leven, terwijl zijn partner, die op de afdeling lag, inmiddels was overleden. En dat toen ook niemand kon langskomen om zo’n afscheid samen te beleven. Dat is een heel rare situatie en helemaal niet normaal. Er waren ook mensen die niet naar de ic wilden vanwege het uitzicht op langdurige beademing. Zij bleven dan op de afdeling liggen waar ze uiteindelijk overleden. Dat was voor iedereen op de afdeling zwaar. Het is niet zo dat ik mijn werk mee naar huis neem, dat kan ik gelukkig achterlaten in het ziekenhuis. Maar het blijft je wel bij.”


Op de vraag of ze weer op de cohort zouden werken mocht dat nodig zijn, zeggen ze beiden ‘ja’. Martijn: “Als dokter ben je opgeleid om mensen beter te maken. Nu konden we soms niet veel doen, behalve het de patiënten zo comfortabel mogelijk maken tot ze beter werden. Soms voelde je daardoor onthand. Ik vond het wel fijn om er te zijn, omdat ik op deze manier iets kon doen aan de noodzakelijke zorg die toen nodig was voor de coronapatiënten.” Jos kan zich daarin vinden. “Door deze ervaring heb ik veel gezien. Dat er mensen waren die min of meer eenzaam zijn gestorven, is heel droevig. Dat hoop ik niet meer mee te hoeven maken. De onderlinge samenwerking heb ik ervaren als heel waardevol en leerzaam. Alleen de situatie waarin je dit alles meemaakt is uitzonderlijk.”

 

Astrid Dhanai

 

Pieter Immerzeel, hoofd kliniek: Intensieve maar leerzame periode

De verhalen over corona vanuit Brabant zijn bekend. Al weken wacht St Jansdal op het moment dat de eerste besmetting zich aandient. “Op 9 maart kregen we uiteindelijk de eerste patiënt”, knikt Pieter Immerzeel, hoofd kliniek.

 

Vanaf dat moment gaat het snel. Binnen korte tijd zijn heel veel bedden nodig voor doodzieke coronapatiënten. “We begonnen op één gang met verpleging op isolatiekamers”, zegt Pieter. “Patiënten lagen de hele dag achter een gesloten deur. Medewerkers moesten zich bij iedere patiënt apart omkleden, dat was heel lastig. Maar ze voelden zich vooral niet veilig, omdat ze elkaar niet goed konden horen door al die gesloten deuren.”

 

Patiënten vereenzamen in een rap tempo en het is duidelijk dat iets moet veranderen. In Brabant hebben ze goede ervaringen met cohortverpleging, waarbij de hele gang isolatiegebied wordt. “De kamerdeuren konden weer open”, legt Pieter uit. “De branddeuren aan het begin van de gang gingen dicht. Deze gaven aan waar besmet gebied begon. Het nadeel daarvan was weer dat je de gang niet meer in kon kijken. Voordeel was dat je alleen aan het begin nog maar hoefde om te kleden.”

 

De nieuwe manier van werken bevalt goed. “Zeker in het begin hebben we veel uit moeten proberen”, beaamt Pieter. “Dit was zo groots. We hadden weleens een NORO-uitbraak gehad waarbij we kortstondig een gedeelte van de gang in isolatie legden. Maar nu was het ongrijpbaar. Tientallen heel zieke mensen kwamen binnen. Daarnaast speelde de angst om ook zelf ziek te worden.”

 

Al snel blijkt dat patiënten met corona veel zorg vragen. Binnen korte tijd kunnen zij snel verslechteren. “We moesten met de personele bezetting rekening houden met acute zorgvraag”, legt Pieter uit. “We gingen teams mixen. Bij sommigen ging dat goed. Anderen voelden zich soms ontheemd; ze kwamen ineens in een rooster en setting terecht die ze helemaal niet kenden. In die periode vroegen we wel heel veel van mensen. Het kon ook niet anders op dat moment.”

 

Uiteindelijk raken ook tientallen medewerkers besmet met corona. “Ik voelde me daar heel beroerd onder”, verzucht Pieter. “In het begin hadden we hier een patiënt liggen, die we niet hoefden te testen volgens de RIVM-richtlijnen. Ze kwam immers niet uit China of Noord-Italië. Later bleek ze positief te zijn. Een hele groep medewerkers viel ziek uit. Dat heb ik me toen echt aangetrokken. We volgden de richtlijnen en toch ging het fout, dat was heel vervelend.”

 

Een ander probleem dat speelt zijn de tekorten aan isolatiematerialen. Pieter: “Het begon met mondneusmaskers. De hele wereld wilde die dingen hebben. Uiteindelijk hadden we dat enigszins opgelost, maar toen konden we niet meer aan isolatiejassen komen. Daar heb ik wakker van gelegen. Je hebt een zorgplicht naar patiënten maar wilt ook je medewerkers beschermen. We konden toch moeilijk de toko dichtgooien omdat we geen voldoende spullen hadden? Met kunst- en vliegwerk is ook dat probleem getackeld.”

 

Alle aandacht gaat inmiddels naar corona toe, zowel intern als extern. Terwijl op sommige afdelingen normale (spoed)zorg gewoon doordraait. “Onze blik is wekenlang heel eenzijdig geweest”, vertelt Pieter. “Medewerkers op de normale afdelingen voelden zich weleens vergeten, dat is niet goed geweest. We moesten ook zoveel mensen inzetten op de corona-afdelingen, dat ging ten koste van de personele bezetting op andere afdelingen. Daar hebben we van geleerd.”

 

Op het hoogtepunt van de crisis zijn vijf gangen veranderd in een cohort; honderd klinische bedden zijn beschikbaar. “We hebben het kritische punt bijna bereikt”, knikt Pieter. “Op een gegeven moment konden we niet meer patiënten hebben en dreigde uitplaatsing. Die bocht hebben we maar net gehaald. Op het maximum hadden we negentig patiënten liggen.”

 

Waar het opschalen in een razend tempo ging, neemt het afschalen veel meer tijd in beslag. “Op een gegeven moment stopten we met de cohortafdelingen”, zegt Pieter. “Een handjevol patiënten kwam weer in isolatie op kamers te liggen, al dan niet verdacht op corona. Maar we hadden ook te maken met patiënten die langdurig op de intensive care hadden gelegen. Zij hadden heel veel zorg nodig, konden nog maar weinig.”

 

Pieter kijkt terug naar een intensieve maar leerzame periode: “We weten nu veel meer dan vier maanden geleden. We hebben al die tijd naar eer en geweten gewerkt. Ook hebben we geleerd hoe je goed kunt opschalen. Dat ging nu met donder en geweld maar je wilt liever een geolied proces. Ook hebben we gezien hoe belangrijk mentale ondersteuning is. Laten we hopen dat een tweede golf niet gaat komen. Maar mocht het zover zijn, dan zijn we er veel meer klaar voor.”

 

Lizanne Ganzevles

Versterking raad van bestuur

Op 1 mei is Arend Jan Poelarends toegetreden tot de raad van bestuur van ons ziekenhuis. Samen met Relinde Weil en Leonie Boven is er nu sprake van een driehoofdige raad van bestuur. Sinds 2015 was Arend Jan werkzaam bij het St Jansdal in de functie van directeur financiën. Daarnaast stuurde hij de afgelopen jaren de medisch ondersteunende diensten aan.


“Ik kijk ernaar uit om mij ook de komende jaren in te zetten voor het St Jansdal en ben blij dat ik de kans krijg om dat te doen vanuit een bestuurlijke rol”, geeft Arend Jan aan in een reactie op zijn benoeming. “Ik heb de afgelopen jaren grote veranderingen meegemaakt, waaronder de invoering van EPIC, fit voor de toekomst en de overname van de zorg in Flevoland. Daarnaast Gezond Veluwe, AFAS en nu corona.


Was het tijd voor verandering?

“Toen ik vier jaar bij het St Jansdal werkte, vroegen mijn kinderen al ‘Pap, is het niet tijd voor iets anders?”, vertelt Arend Jan. “Normaal heb ik dat gevoel na een aantal jaren, maar nu had ik dat helemaal niet. Dit komt mede doordat ik het werken in een ziekenhuis heel leuk vind en daarin zeker wil blijven werken. In een ander ziekenhuis zou ik dezelfde portefeuille beheren en ook het spel met banken en verzekeraars blijft grotendeels hetzelfde. Het St Jansdal past goed bij mij. Dus nee, ik heb er niet aan gedacht om te vertrekken. De omvang vind ik ook interessant en de korte lijnen zijn prettig.”


Wat is de grootste verandering?

“Ik heb er zin in om mij samen met Relinde en Leonie vanuit een andere rol en verantwoordelijkheid in te zetten voor ons ziekenhuis. Daar ligt voor mij de grootste verandering: de verantwoordelijkheid voor het ziekenhuis. Op het gebied van financiën en vastgoed staan we voor grote uitdagingen waarin ik mijn energie goed kwijt kan. Mijn portefeuille wijzigt op inhoud niet veel, wel qua omvang met onder andere de bouw en het aandachtsgebied duurzaamheid. Ik vind het belangrijk om de strategie goed op te pakken en accenten te leggen. Waar ligt de focus? Wij hebben Lelystad niet voor niets overgenomen, we hebben een mooie plek in het ziekenhuislandschap. Ik vind het een uitdaging om alles goed te organiseren.”


Wat voor bestuurder ben jij?

“Ik ben een betrokken bestuurder die inhoudelijk goed op de hoogte is. Door mijn helicopterview kan ik goed dwarsverbanden zien en mensen verbinden op onderdelen. Ik houd van pro-actieve mensen en daag medewerkers graag uit om hun ruimte te pakken. Zelf ben ik ook gegroeid doordat mijn leidinggevenden mij de ruimte gaven. Door de ruimte te pakken, kun je jezelf ontwikkelen. Deze stijl heeft mij gevormd en typeert ook mijn stijl van leidinggeven. Loslaten gaat dan deels vanzelf, op de juiste momenten stuur je bij of bied je steun.”


Wat vindt het thuisfront van deze stap?

“Je kunt een positie als deze alleen goed invullen als je een sterk thuisfront hebt. Wij hebben daarover thuis goede afspraken gemaakt. Ik ben getrouwd en heb vier kinderen. Wij wonen op een prachtige locatie in Zwolle. Als ik thuis ben mag ik graag tuinieren, dat is echt ontspanning. Ik kan ook wel zeggen dat ik sportief ben, ik mag graag hardlopen. Regelmatig word ik ook door de kinderen ingezet. ‘Pap, wil je mij even wegbrengen? Pap, wil je even helpen?’ Andere ouders zullen zich hierin vast herkennen”, zegt Arend Jan met een glimlach.


Omdat Arend Jan al ruim vijf jaar bij St Jansdal werkt, is kennismaking op het eerste gezicht niet nodig. Toch vraagt deze nieuwe verantwoordelijke rol van hem ook om een soort van inwerkperiode. Arend Jan: “Het zou jammer zijn als ik gewoon doorga en net doe alsof er niets is veranderd, dat voelt niet goed. Ik wil kennismaken en mij laten kennen en daarom leg ik mijn kaarten op tafel. Wil jij mij beter leren kennen? Ik leg graag letterlijk mijn kaarten op tafel, maar hoor ook graag wat jij mij wilt vertellen.”


Francisca Toes