l

Direct contact

Telefoonnummers

St Jansdal Harderwijk

0341 - 463911

St Jansdal Lelystad

0341 - 463590

Poli-Apotheek St Jansdal

0341 - 435858

Helpdesk MijnStjansdal (8.30 - 12 u)

0341 - 463700

Medische hulp buiten kantoortijden

Bij levensbedreigende spoed

112

Harderwijk: Medicamus Spoedpost  

0900 - 341 0 341

Website: Medicamus Spoedpost

 

Lelystad: huisartsenpost Medrie  

0900 - 333 6 333

Website: Huisartenpost Lelystad

 

 

 

Voorbereiden_Op-Opname

Incontinentie bij stress of urge

Inhoud van dit artikel
    Inhoud van dit artikel

      We spreken over incontinentie als u onbedoeld urine verliest. In deze folder geven we uitleg over urine incontinentie.

       

      Drie soorten incontinentie

      Er zijn verschillende vormen van urine incontinentie. De verschillende vormen vallen in drie typen onder te verdelen:

      1. Aandrang- of urge-incontinentie. De aandrang is zo hevig dat het niet lukt om de urine op te houden.
      2. Stressincontinentie. Het urineverlies ontstaat op de momenten dat de druk in de buik oploopt. Bijvoorbeeld bij het hoesten, niezen of bij plotselinge bewegingen.
      3. Overloopincontinentie. Hierbij blijft er veel te veel urine achter in de blaas. De urine die er in de blaas niet meer bij past verliest u in kleine scheutjes.

       

      In deze folder bespreken we de eerste twee vormen van incontinentie.

       

      Aandrang of ‘urge’- incontinentie

      Het klachtenpatroon van de aandrang- of ‘urge’-incontinentie is herkenbaar. De aandrang komt meestal snel op. Men moet erg vaak plassen en het zijn maar kleine plasjes. De drang is vaak moeilijk te onderdrukken. Daardoor ontstaat er urine incontinentie.
       

      Oorzaken en behandeling

      Urge-incontinentie kan verschillende oorzaken hebben. Het is daarom belangrijk eerst te onderzoeken wat de oorzaak is. Zo kan er een passende behandeling gekozen worden.
       

      Infectie

      Een ontsteking van de blaas en/of de nieren noemen we een urineweginfectie. Om te bekijken of er sprake is van een infectie wordt de urine onderzocht. Een eventuele infectie kan worden behandeld met antibiotica.
       

      Obstipatie

      Als de darmen te vol zitten drukken ze op de blaas. Dit kan (hevige) aandrang geven om te plassen. Met laxeermiddelen kan de ontlasting op gang worden geholpen. Vaak zijn dit zakjes met poeder die opgelost worden in water.
       

      Nierstenen

      Een niersteen in de urineleider of de blaas kan ook incontinentie veroorzaken. De blaas wordt zo geprikkeld dat er aandrangsklachten ontstaan. Behandeling van de niersteen kan dan nodig zijn.
       

      Overactieve blaas
      Soms hebben we door ons eigen plasgedrag de blaas als het ware verkeerd geprogrammeerd. We hebben te vaak, kort op elkaar, kleine beetjes geplast. De blaas is het daardoor niet meer gewend om meer urine vast te houden. Bij een klein beetje urine in de blaas geeft hij al aandrang.
      Met behulp van zogenaamde  uitsteltraining kan de blaas weer leren minder snel aandrang te geven. Hierbij is het belangrijk om voldoende te drinken. Door bij de eerste aandrang niet gelijk naar het toilet te gaan kan de blaas weer wat worden opgerekt. Vaak wordt deze training ondersteund door een gespecialiseerde fysiotherapeut; de bekkenbodemtherapeut. Ook medicatie kan helpen om de overactieve blaas tot rust te brengen. 
       

      SANS-behandeling
      Als de klachten na bovenstaande behandelingen niet afnemen kan verder onderzoek nodig zijn. Met een urodynamisch onderzoek kan verder bekeken worden hoe de blaas werkt en reageert. Meer informatie hierover leest u in de folder “urodynamisch onderzoek”.
      Als de blaas overactief blijft kan behandeling met een neuromodulator helpen. Dit noemen we de SANS-behandeling of PTNS-behandeling. Ook over deze behandeling is een folder te vinden bij de polikliniek urologie.
       

      Botox
      Botuline-toxine is een stofje dat door bacteriën wordt aangemaakt. Dit stofje zorgt ervoor dat de zenuwen hun signalen niet goed door kunnen geven aan de spieren. Door botox in een spier te spuiten verlam je de spier. Het kan geen signalen meer ontvangen. Als de blaasspier te actief is kun je deze met botox dus meer tot rust brengen. Hij zal minder vaak en minder  hard samen knijpen. Hierdoor neemt de aandrang om te plassen af. De aandrang zal minder vaak en minder heftig zijn. Ook het verliezen van urine komt minder voor.

       

      Voor het juiste effect moet botox direct in de blaasspier gespoten (geïnjecteerd) worden. De botox wordt ingespoten op 25 plaatsen in de blaas. De uroloog gaat met een speciale kijkbuis (cystoscoop) de blaas in. Door de kijkbuis kan een lange injectienaald worden ingebracht. Op deze manier kan er op de juiste plaats geprikt worden. Op elk van die 25 plaatsen wordt een zeer kleine hoeveelheid botox geïnjecteerd.

      U heeft een recept voor antibiotica meegekregen van de polikliniek urologie. Het is een recept voor twee tabletten norfloxacine 400 mg. Neem de dag van de ingreep ’s ochtends een tablet in. Het andere tablet neemt u ’s avonds de dag van de ingreep.
       

      Bloedverdunning

      Als u bloedverdunners gebruikt via de trombosedienst, dan moet u hier voor de behandeling mee stoppen. Dit geldt voor de volgende medicijnen:  
       
      Sintrom (acenocoumarol)
      Stop drie dagen voor de behandeling
       

      Marcoumar
      Stop vijf dagen voor de behandeling

       

      Bel van tevoren met de trombosedienst om door te geven welke behandeling u krijgt. Zij kunnen u vertellen of u tijdelijk een ander middel moet gebruiken. Dit gaat dan meestal om spuitjes met heparine.

      Voor de andere bloedverdunners geldt het volgende:

      • Slikt u acetylsalicylzuur of carbasalaat calcium (Ascal®) èn een andere bloedverdunner, stop dan zeven dagen voor de ingreep met de andere bloedverdunner.
      • Slikt u Rivaroxaban (Xarelto®), Dabigatran (Pradaxa®) òf Apixaban (Eliquis®) stop dan een dag voor de ingreep met dit middel.
      • Slikt u alleen alleen persantin òf plavix, bel dan met de polikliniek urologie. De uroloog kan u dan vertellen of u uw medicijnen in mag blijven nemen.


      Als u bent gestopt met acenocoumarol of fenprocoumon (marcoumar®) moet u voor de behandeling bloed laten prikken. Zo kan de uroloog nakijken of uw bloed weer dik genoeg is. Dit is belangrijk. Anders verliest u teveel bloed bij de behandeling. U heeft een aanvraagformulier nodig om bloed te kunnen prikken. Dit formulier heeft u meegekregen van de polikliniek urologie.

       

      De dag van de behandeling gaat u eerst naar de bloedafname. Deze afdeling vind u  in de centrale hal van het St Jansdal. Naast de balie staat een apparaat waar u een nummer kunt trekken. Druk op de knop “cito” om een nummertje te trekken. U hoeft dan niet te lang te wachten.

       

      Alleen als u gestopt bent met acenocoumarol of fenprocoumon (marcoumar®) moet u bloed laten prikken. Als u bent gestopt met een andere bloedverdunner is dit niet nodig. 

      De dag na de behandeling mag u uw bloedverdunners weer innemen. Als u nog veel bloed in de urine heeft moet u ons eerst bellen. Bel dan met de polikliniek urologie.

      Deze ingreep vindt plaats in dagopname. Dit houdt in dat u ’s morgens wordt opgenomen. Eind van de ochtend/begin van de middag mag u weer naar huis.

       

      Omdat de injecties gevoelig kunnen zijn krijgt u een plaatselijke verdoving. Dit is een verdovende spoeling. Deze spoelvloeistof wordt een half uur voor de ingreep ingebracht in uw blaas. Dit gebeurt met behulp van een dun slangetje (een katheter). Het slangetje gaat er daarna gelijk weer uit. Daarna wordt u naar de poliklinische operatiekamer gebracht. Daar vindt de behandeling plaats. In totaal duurt de behandeling zo’n 20 minuten.

      Aan het eind van de ingreep wordt de blaas geleegd. U wordt terug gebracht naar de afdeling. Als u zich goed voelt mag u daarna naar huis. ’s Middags wordt u gebeld door een verpleegkundige van de polikliniek urologie. Zij zal vragen hoe het met u gaat. Ook wil zij weten of het plassen goed gaat.

       

      De eerste uren na de ingreep kunt u alsmaar het gevoel hebben te moeten plassen. Dit gevoel wordt vanzelf minder. Het is verstandig om niet zelf naar huis te rijden. De behandeling geeft geen ernstige bijwerkingen. Soms kan er na de ingreep wat bloed bij de urine zitten. Het effect van de behandeling is na ongeveer drie dagen te merken.
       

      Helaas werkt botox maar tijdelijk. Gemiddeld zes tot twaalf maanden. Als het is uitgewerkt kan de behandeling herhaald worden. Soms werkt de botox tè goed. De spieren van de blaas zijn dan niet sterk genoeg om de blaas leeg te knijpen. U plast dan helemaal niet of er blijft teveel urine in de blaas na het plassen. Soms is het dan nodig om de blaas een paar keer per dag met een katheter te legen. Dit kan u aangeleerd worden zodat u dit thuis zelf kunt doen. Zeg het tegen uw arts als u twijfelt of u dit aankunt. Het is dan mogelijk om hier al voor de ingreep mee te oefenen. Deze bijwerking gaat weer over als de botox raakt uitgewerkt. Het is dus altijd een tijdelijk probleem.

       

      Stressincontinentie

      Bij stressincontinentie verliest men urine op het moment dat de druk binnen de buikholte oploopt. Er ontstaat daardoor druk op de blaas, waarbij het niet lukt de urine op te houden. Dit kan gebeuren tijdens het lachen, hoesten en niezen. Of tijdens plotselinge bewegingen en tijdens het tillen van zware voorwerpen. Stressincontinentie wordt daarom ook wel inspanningsincontinentie genoemd.
       

      Oorzaken

      Naar mate vrouwen ouder worden neemt de kans op stressincontinentie toe. Toch zien we deze vorm van urine-incontinentie bij vrouwen op alle leeftijden terug.
      De oorzaak ligt meestal in een te slappe bekkenbodemspier en bekkenbanden. Dit kan het gevolg zijn van één of meerdere bevallingen. Ook spelen veranderingen in onze hormoonhuishouding een rol. Dit speelt met name na de menopauze (de overgang). Daarnaast kunnen bepaalde gynaecologische ingrepen de stevigheid van de bekkenbodem beïnvloeden. 
      De blaas verzakt op het moment dat de druk in de buik toeneemt. De bekkenbodem is niet stevig genoeg om deze verzakking tegen te houden. Vaak is ook de afsluitdruk rondom de

      blaasbodem minder goed.

       

       

       

       

       

       

       

      Behandelingsmogelijkheden

      Fysiotherapie
      Vaak wordt als eerste gestart met behandeling door een bekkenbodemtherapeut. Dit is een gespecialiseerde fysiotherapeut. Deze zal oefeningen aanleren die helpen om de bekkenbodemspieren weer sterker te maken.  Sommige mensen met stressincontinentie hebben ook urge klachten (aandrangsklachten). Vaak nemen ook deze klachten af met behulp van bekkenbodemtherapie.
       

      Operatie
      Als fysiotherapie niet goed werkt is een operatie mogelijk. Er kan een bandje geplaatst worden. Dit noemen we een urethrale sling. Dit bandje wordt onder de plasbuis geplaatst. Zo worden de weefsels van de bekkenbodem verstevigd. Deze sling werkt eigenlijk als een soort hangmat. Het biedt extra ondersteuning aan de plasbuis om urineverlies te voorkomen.

       

       

      Er zijn verschillende typen slings op de markt. In dit ziekenhuis gebruiken wij bij voorkeur de “Ajust”. Deze sling kan na het plaatsen makkelijk worden aangepast aan het lichaam. De sling is gemaakt van synthetisch materiaal. Het heeft de vorm van een soort netje.

       


      Het plaatsen van een sling.

       

      Als eerst wordt er een korte incisie (snede) gemaakt in de vagina, onder de urinebuis. De uiteinden van de sling worden links en rechts door het bekken naar de liezen gebracht. De sling zet zich vanzelf vast in het weefsel. Het hoeft niet vastgezet te worden met hechtingen. De operatie duurt ongeveer 15 tot 30 minuten.

      Deze ingreep vindt meestal plaats onder een ruggenprik (spinaal). Er moet van tevoren een gesprek plaats vinden met de anesthesist (narcotiseur). Deze afspraak wordt gemaakt door de assistente van de uroloog.

       

      Bloedverdunning

      Als u bloedverdunners gebruikt via de trombosedienst, dan moet u hier voor de operatie mee stoppen. Dit geldt voor de volgende medicijnen:

      Acenocoumarol
      Stop drie dagen voor de operatie

       

      Fenprocoumon (Marcoumar®)
      Stop zeven dagen voor de operatie
       

      Bel van tevoren met de trombosedienst om door te geven welke operatie u krijgt. Zij kunnen u vertellen of u tijdelijk een ander middel moet gebruiken. Dit gaat dan meestal om spuitjes met heparine.

      Voor de andere bloedverdunners geldt het volgende:

      • Slikt u acetylsalicylzuur of carbasalaat calcium (Ascal®) èn een andere bloedverdunner, stop dan zeven dagen voor de ingreep met de andere bloedverdunner.
      • Slikt u Rivaroxaban (Xarelto®), Dabigatran (Pradaxa®) òf Apixaban (Eliquis®) stop dan een dag voor de ingreep met dit middel.
      • Slikt u alleen alleen persantin òf plavix, bel dan met de polikliniek urologie. De uroloog kan u dan vertellen of u uw medicijnen in mag blijven nemen.

       

      Als u bent gestopt met acenocoumarol of fenprocoumon (marcoumar®) moet u voor de operatie bloed laten prikken. Zo kan de uroloog nakijken of uw bloed weer dik genoeg is. Dit is belangrijk. Anders verliest u teveel bloed bij de operatie. U heeft een aanvraagformulier nodig om bloed te kunnen prikken. Dit formulier heeft u meegekregen van de polikliniek urologie.

       

      De dag van de operatie gaat u eerst naar de bloedafname. Deze afdeling vind u  in de centrale hal van het St Jansdal. Naast de balie staat een apparaat waar u een nummer kunt trekken. Druk op de knop “cito” om een nummertje te trekken. U hoeft dan niet te lang te wachten.

       

      Alleen als u gestopt bent met acenocoumarol of fenprocoumon (marcoumar®) moet u bloed laten prikken. Als u bent gestopt met een andere bloedverdunner is dit niet nodig. 

       

      De dag na de operatie mag u uw bloedverdunners weer innemen. Als u nog veel bloed verliest moet u ons eerst bellen. Bel dan met de polikliniek urologie.
       

      Met ontslag

      In principe mag u de dag van de operatie weer naar huis. Dit hangt af van hoe u zich voelt. Ook moet u zelf voldoende kunnen uitplassen. Soms lukt het niet gelijk om zelf te plassen. Of het lukt wel om te plassen, maar er blijft teveel urine achter in de blaas. 
      Het kan dan nodig zijn om tijdelijk een blaaskatheter te plaatsen. Dit is een slangetje dat door de plasbuis naar de blaas gaat. Via deze katheter kan de urine weg uit de blaas. Vaak zijn deze problemen met het plassen maar tijdelijk.
      Soms duurt het helaas langer voordat het plassen weer voldoende lukt. Dan kunt u leren hoe u zelf de blaas leegt met een katheter. 

       

      Het plassen kan de eerste paar keer een branderig/licht pijnlijk gevoel geven. Daarnaast kunt u de eerste dagen bloed verliezen via de vagina. Deze klachten kunnen geen kwaad en gaan vanzelf weer over. Tijdens de operatie ligt u op uw rug. Uw benen liggen in speciale beugels. U kunt daarom de eerste dagen spierpijn hebben in de bovenbenen. Sommige mensen hebben een beurs gevoel in de vagina. Ook meer aandrang om te plassen komt in het begin weleens voor.

       

      Leefregels

      Als u weer thuis bent gelden de volgende leefregels:

      • Neem de tijd om rustig uit te plassen. Het uitplassen kost in het begin wat meer moeite. Dit is tijdelijk en gaat na verloop van tijd vanzelf beter.
        Neem contact met ons op als het niet goed lukt om te plassen. Ook bij koorts of andere klachten belt u ons.
        • Tijdens kantoortijden: polikliniek urologie. Tel: 0341-463558
        • Daarbuiten: de Huisartsenpost (HAP). Tel: 0900-3410341
      • Een week niet in bad; douchen mag wel.
      • Een week niet zwemmen.
      • Twee weken rustig aandoen. Geen zwaar (huishoudelijk) werk. Niet zwaarder tillen dan een paar kilo. Na twee weken mag u rustig aan uw normale bezigheden weer oppakken.
      • Drie tot vier weken niet fietsen.
      • Vier weken niet vrijen.

       

      Ongeveer zes weken na de operatie komt u voor controle bij de uroloog. Deze afspraak krijgt u mee als u met ontslag gaat.

       

      Tot slot

      Deze folder bevat algemene informatie. Het is bedoeld als extra informatie naast het gesprek met uw uroloog. Als u na het lezen van deze folder nog vragen heeft kunt u ons bellen. Bel dan met de polikliniek urologie, telefoon (0341) 463558.

      Voor meer informatie op het gebied van urologie kunt u terecht op onze website: www.urologie.nl

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

      De informatie op deze website is met de grootst mogelijke zorg samengesteld. Desondanks kunnen geen rechten aan de vermelde informatie ontleend worden. Meer informatie https://www.stjansdal.nl/disclaimer