l

Direct contact

Telefoonnummers

St Jansdal Harderwijk

0341 - 463911

St Jansdal Lelystad

0341 - 463590

Poli-Apotheek St Jansdal

0341 - 435858

Helpdesk MijnStjansdal (8.30 - 12 u)

0341 - 463700

Medische hulp buiten kantoortijden

Bij levensbedreigende spoed

112

Harderwijk: Medicamus Spoedpost  

0900 - 341 0 341

Website: Medicamus Spoedpost

 

Lelystad: huisartsenpost Medrie  

0900 - 333 6 333

Website: Huisartenpost Lelystad

 

 

 

Voorbereiden_Op-Opname

Cystectomie en blaasvervangende operaties

Inhoud van dit artikel
    Inhoud van dit artikel

      Inleiding

      In deze folder vindt u informatie over blaasvervangende operaties. Voor- en nadelen van de verschillende operaties worden besproken. Bij een inwendig reservoir wordt in ziekenhuis St Jansdal de techniek volgens Hautmann gebruikt. Deze wordt uitgebreid besproken. Heeft u na het lezen van deze folder nog vragen, stel ze dan gerust aan de arts of verpleegkundige.
       

      Hoe werken de urinewegen?

      Onder normale omstandigheden werken de urinewegen als volgt. In de nieren wordt overtollig vocht uitgescheiden. Tegelijkertijd worden schadelijke stoffen uit het lichaam verwijderd. De nieren transporteren de gevormde urine daarna via de urineleiders (ureteren) naar de blaas, waar de urine wordt verzameld. Als de blaas vol is, ontstaat aandrang om te plassen. Tijdens het plassen verlaat de urine het lichaam via de plasbuis (urethra).

       

       

       

      Reden voor blaasverwijderende operatie

      Het kan om diverse redenen nodig zijn de blaas te verwijderen. Bij sommige mensen werkt de blaas niet goed door bijvoorbeeld afwijkingen van het zenuwstelsel of beschadiging van de blaas door een ernstige ontsteking. Meestal wordt de blaas verwijderd vanwege een kwaadaardig gezwel in de blaas.
       

      Diversen soorten urine afleidingen

      Als de blaas verwijderd wordt, moet er op een andere manier voor gezorgd worden dat de urine het lichaam kan verlaten. Er zijn hiervoor twee verschillende mogelijkheden.

       

      Het urine-stoma volgens Bricker

      Hierbij wordt een stukje dunne darm van ongeveer vijftien tot twintig centimeter vrijgemaakt waarna de urineleiders in het vrijgemaakte stukje darm worden geplaatst. Het uiteinde van deze darm wordt via een opening in de buikhuid naar buiten geleid en vastgemaakt op de buik. Op die manier ontstaat er een voordurende stroom urine vanuit de nieren door de urineleiders naar het stukje darm en vervolgens naar buiten.


      Nadeel van dit stoma is dat u altijd een opvangzakje op het stoma moet dragen omdat de urine voortdurend loopt. Het opvangmateriaal van tegenwoordig is echter van goede kwaliteit.

      Het plakt goed, het is onzichtbaar onder de kleding, het lekt niet en je ruikt de urine niet. Voordeel is dat het een vrij eenvoudige techniek is met weinig kans op complicaties.
       

      Blaasvervangende operatie

      Het vervangen van de blaas kan door verschillende operatietechnieken. In ziekenhuis St Jansdal wordt de techniek volgens Hautmann gebruikt. Bij deze operatie wordt een stuk dunne darm genomen van ongeveer veertig centimeter lang. Van dit stuk dunne darm wordt een reservoir gemaakt dat op de plasbuis wordt aangesloten. De urineleiders worden in dit nieuwe reservoir gehecht.


       

      Het reservoir neemt de functie van de blaas over, namelijk het verzamelen van urine die de nieren uitscheiden. Een groot voordeel hiervan is dat er geen stoma nodig is en dat de urine het lichaam via de ‘normale’ weg verlaat. Bij een gewone blaas geven zenuwen een seintje aan de hersenen als de blaas vol is en dan krijg je aandrang om te plassen. Een reservoir van darm heeft deze zenuwen niet en daarom voelt men geen aandrang als het reservoir vol is. Men moet ‘op de klok’ plassen en als men veel drinkt wat vaker plassen. Ook ’s nachts moet de wekker worden gezet om te plassen. Op termijn is dit ongeveer één keer per nacht. Doet men dit niet, dan verliest men ’s nachts urine en zal men daarvoor opvangmateriaal (incontinentie verband) moeten gebruiken. Vlak na de operatie moet men elke twee tot drie uur gaan plassen. Later wordt het reservoir groter en is in de meeste gevallen elke vier uur plassen voldoende. Belangrijk is dat het reservoir niet te vol wordt (ongeveer 500 ml).

       

      Mensen met een reservoir van darm moeten opnieuw leren plassen. Een gewone blaas is een spier die zich samentrekt als men wil plassen, de darm heeft deze functie niet. De nieuwe blaas wordt door persen met de buik geledigd.
      In enkele gevallen lukt het niet om zo de nieuwe blaas helemaal te ledigen. Vooral bij vrouwen komt dit wel eens voor.


      Dan kan het nodig zijn dat u de blaas zelf met een katheter leegmaakt. Een andere complicatie is ongewild urineverlies. De meeste mensen hebben hier vlak na de operatie in meer of mindere mate last van. Meestal verdwijnt dit na verloop van tijd.
       

      Seksualiteit

      Alle bovenstaande operaties kunnen effect hebben op het seksueel functioneren, zowel psychisch als lichamelijk. Bij vrouwen kunnen de zenuwen die ervoor zorgen dat de vagina bij het vrijen vochtig wordt, beschadigd zijn waardoor gemeenschap pijnlijk kan zijn. Een mogelijke oplossing hiervoor is het gebruik van een glijmiddel tijdens het vrijen. Zijn ook de baarmoeder en eierstokken verwijderd, dan heeft dit effect op de vruchtbaarheid, voortplanting en hormoonhuishouding van de vrouw. Vrouwen die nog niet in de overgang zijn zullen als de beide eierstokken zijn verwijderd in de overgang komen. Uw behandelend arts zal dit met u bespreken.

       

      Bij mannen kunnen na de operatie als gevolg van zenuwbeschadiging erectiestoornissen optreden. Vaak is er nog wel een orgasmegevoel. De zaadlozing is verdwenen omdat meestal ook de prostaat wordt verwijderd.
      Dit heeft gevolgen voor de vruchtbaarheid. In welke mate deze problemen optreden is niet precies van tevoren te voorspellen. Als u na de operatie seksuele problemen heeft, kunt u dit altijd met uw behandelend arts bespreken. Samen met u wordt bekeken of er een oplossing mogelijk is.

      Voor de operatie

      Voordat u wordt opgenomen heeft u een gesprek met de anesthesist. De operatie vindt altijd plaats onder algehele narcose. Wel wordt er over het algemeen ten tijde van de ingreep door de anesthesist een slangetje in de rug geplaatst waardoor pijnmedicatie gegeven kan worden.  De anesthesist zal vragen naar uw gezondheidstoestand. Eventueel wordt u nog doorgestuurd naar een andere specialist, bijvoorbeeld een cardioloog of een longarts. Vooraf zult u ook nog een afspraak krijgen bij de stomaverpleegkundige: zij zal met u de plaats bepalen voor een eventueel aan te leggen urine-stoma.
       

      Bloedverdunners

      Het gebruik van bloedverdunnende middelen, waarvoor u bij de trombosedienst onder behandeling bent, dient van tevoren te worden gestaakt. Dit betreft het gebruik van:

      • Sintrom (acenocoumarol) 3 dagen voor de ingreep
      • Marcoumar 5 dagen voor de ingreep

      Neemt u vooraf contact op met de trombosedienst om te vragen of u in de tussentijd een andere vorm van bloedverdunning moet gebruiken.

       

      Alle andere bloedverdunners mogen in principe worden doorgebruikt. Hierop gelden echter twee uitzonderingen:

       

      • Gebruikt u naast ascal (acetylsalicylzuur / carbasalaat calcium) ook persantin (dipyridamol) stopt u dan 3 dagen voor de ingreep met de persantin.
      • Gebruikt u naast ascal (acetylsalicylzuur/ carbasalaat calcium) ook plavix (clopidogrel / iscover) stopt u dan 3 dagen voor de ingreep met de plavix.

       

      Gebruikt u slechts 1 van bovenstaande middelen? Bespreek dan vooraf met uw behandeld uroloog of u deze medicatie kunt doorgebruiken.

       

      Als u bent gestopt met de bloedverdunners die u via de trombosedienst gebruikt, wordt er op de dag van de behandeling bloed geprikt om te controleren of het bloed inmiddels weer voldoende gestold is (of het weer dik genoeg is). Dit wordt door de verpleegkundige op de verpleegafdeling voor u geregeld.

       

      Als u gestopt bent met persantin (dipyridamol) of plavix (clopidogrel / iscover) is bloed prikken niet nodig.
       

      Opname

      U wordt 1 dag vóór de operatie opgenomen. Om ervoor te zorgen dat de darmen niet vol zitten met ontlasting krijgt u op die dag eenmalig een klysma. Dit is een speciale vloeistof die via de anus in het laatste deel van de darm wordt ingebracht om ervoor te zorgen dat u op dat moment voor ontlasting naar het toilet kunt. Bij sommige mensen geeft een klysma de eerste uren na het inbrengen wat buikkrampen.
      De verpleegkundige van de afdeling zal u uitleg geven over de operatie en de tijd daarna.
       

      Na de operatie

      Met aanleg van urinestoma

      De operatie duurt ongeveer 3 tot 4 uur. In sommige gevallen verblijft u na de operatie een nacht op de Intensieve Zorg. De eerste dagen moeten de darmen nog op gang komen. Daarom mag u in het begin alleen drinken en krijgt u vocht toegediend door een infuus. Zo snel mogelijk wordt het dieet uitgebreid. Yoghurt, kauwgom en cola stimuleren de darmen. Verder heeft u meestal een slangetje om het wondvocht wat in de buik zit af te voeren. Zodra deze niet veel meer loopt mag deze eruit. Als u voor opname bloedverdunners gebruikte waarmee u vanwege de ingreep moest stoppen, zullen deze tijdens opname hervat worden. Dit is doorgaans na vijf dagen.
      De opnameduur is ongeveer twee weken.

      Met aanleg van een blaasvervangend reservoir

      De operatie duurt ongeveer 4 tot 6 uur. In sommige gevallen verblijft u na de operatie een nacht op de Intensieve Zorg. De eerste dagen moeten de darmen nog op gang komen. Daarom mag u in het begin alleen drinken en krijgt u vocht toegediend door een infuus. Zo snel mogelijk wordt het dieet uitgebreid. Yoghurt, kauwgom en cola stimuleren de darmen. Verder heeft u een katheter via de plasbuis in het nieuwe reservoir. Deze katheter voert de urine af en verhindert dat de hechtingen van het reservoir onder spanning komen te staan.

      Vlak na de operatie zit er vaak bloed bij de urine. Dit verdwijnt na enkele dagen. Verder zit er wat slijm bij de urine. Dit is heel normaal. Het reservoir is namelijk gemaakt van darm, dit scheidt altijd wat slijm af. De eerste tijd is het nodig het reservoir te spoelen om slijmproppen te verwijderen. Daarna krijgt u medicijnen die het slijm oplossen.
      Verder heeft u meestal een slangetje om het wondvocht wat in de buik zit af te voeren. Zodra deze niet veel meer loopt mag deze eruit.
      Als u voor opname bloedverdunners gebruikte waarmee u vanwege de ingreep moest stoppen, zullen deze tijdens opname hervat worden. Dit is doorgaans na 5 dagen.

      De katheter in het reservoir blijft ongeveer veertien dagen zitten zodat de hechtingen in het reservoir goed kunnen genezen. Daarna wordt een foto met contrastvloeistof gemaakt om het reservoir te controleren. Is er geen lekkage op de nieuwe aansluiting, dan mag de katheter eruit en mag u gaan oefenen met plassen. Als dit goed gaat mag u naar huis.
      De opnameduur is ongeveer 3 weken.
       

      Gevolgen blaasvervangend reservoir

      Na de operatie is de totale lengte van de darm (spijsverteringskanaal) wat afgenomen. Dit levert meestal geen problemen op. U hoeft in principe geen speciaal dieet te volgen. In sommige gevallen is de ontlasting iets dunner. Uit onderzoek blijkt dat de darmwand de verzamelde urine niet opneemt maar soms wel de daarin opgeloste stoffen. Het slijmvlies van de dunne darm verandert en gaat steeds meer lijken op het slijmvlies van de blaas.
       

      Na de operatie bevat de urine altijd bacteriën. De urinekweek is dus altijd positief, dit hoeft echter niet met antibiotica te worden behandeld. Zolang de urine niet terugstroomt naar de nieren kunnen deze bacteriën geen kwaad. Ze zijn dan niet gevaarlijk voor het nierbekken of de nieren. De kans dat er urine terugstroomt naar de nieren is bij deze operatie gering. Bij klachten van pijn en koorts krijgt u eventueel een kuur antibiotica. Wel is het van belang om voldoende te blijven drinken, ongeveer anderhalf tot twee liter per dag. De urine zal altijd wat slijm (afkomstig van de darm) bevatten. Meestal wordt dit na verloop van tijd minder.

       

      Zoals al eerder is aangegeven kan er een vorm van incontinentie blijven bestaan na de operatie. Meestal is dit een lichte vorm van incontinentie.
      Samen met u kan gekeken worden wat en hoe er eventueel iets aan gedaan kan worden, en hoe u van dit urineverlies zo min mogelijk hinder ondervindt in uw dagelijks functioneren. In sommige gevallen kan het nodig zijn om fysiotherapie te krijgen om de bekkenbodemspieren te verstevigen of juist beter te leren ontspannen.

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       


      Uitgave:
      Patiëntencommunicatie
      Harderwijk, maart 2013   CAZ UR 41.03.13

      De informatie op deze website is met de grootst mogelijke zorg samengesteld. Desondanks kunnen geen rechten aan de vermelde informatie ontleend worden. Meer informatie https://www.stjansdal.nl/disclaimer